Nu rug zich kromt
en frons de navel nadert,
ligt als korst van brood
mijn loze hand op tafellaken.
Dit bloed stremt van bekomst
als tikken knagen
aan de stond van klok.
O zucht van lege dagen.
De thee trekt bitter
in het lauwend water
en snelle spoed sterft
na het langend roeren
al bij het leggen van de lepel
weer aan het vertragen.
Ooit was hier wat daar
als mum van zicht
het album vult,
waar vinger wijst
naar wat zich niet laat tasten.
Het is wat heugt dat schrijnt
bij uren die maar duren.
Mijn hoornen ogen turen
naar wat aan licht is ingelijst.
De schramme gang
beent over oude grond,
waar alles valt
en wordt vergeten
en geesten welkom heten
in een palm van wond.